Onsterfelijke liefde

Het verhaal dat ik voor Rotterdam Schrijft had geschreven staat nu op mijn blog! Nieuwsgierig? Lees snel verder!

 

 

 

 

Ik slenterde naar de stad zoals ik vroeger altijd deed. Vanaf mijn ouderlijk huis in Kralingen langs de Slaak en Oostplein naar de bibliotheek. Op de heenweg bracht ik dan altijd mijn boeken weg en op de terugweg haalde ik nieuwe boeken op. Tussendoor liep ik vaak door de Hoogstraat en haalde ik een stroopwafel of een patatje bij Bram. Daarna ging ik de V&D in en dan naar beneden om die klote trappen van de Koopgoot te vermijden maar toch zonder op het verkeer te hoeven letten naar de overkant te komen. Dan even de Lijnbaan snel over en weer terug naar de bibliotheek en naar huis voordat het eten op tafel stond.

Maar het was niet zoals vroeger, het voelde niet zoals vroeger. Het leek alsof de liefde tussen mij en de stad bekoeld was, alsof we uit elkaar gegroeid waren en er een onvermijdelijke ‘het ligt niet aan jou, maar aan mij’ aan zat te komen. Mijn familie en vrienden van vroeger waren al lang niet meer in leven. De afstammelingen van hen deden mij niets. Ze verveelden me, net als de rest van de sterfelijken eigenlijk. Je dood vervelen is een leuke uitdrukking, maar in de praktijk onmogelijk als je zelf onsterfelijk bent. Het leven was een feestje geweest de eerste tientallen jaren als ondode. Ik bleef wonen in Kralingen zodat ik bij mijn familie in de buurt kon zijn, ging elk studentenfeest  af en was een graag geziene gast bij de meeste zaken op het Stadhuisplein. Ik eindigde altijd met iemand bij mij thuis. Man of vrouw dat maakte mij na een paar jaar niet meer uit, ze smaakten allemaal hetzelfde en de ochtend erna konden zij zich toch niets meer herinneren van de avond ervoor.

Na verloop van tijd werd ik depressief en raakte mezelf kwijt. Wanneer dit precies gebeurde weet ik niet meer, maar het zal rond de tijd zijn geweest dat Dami bij mij wegging. Of eigenlijk: toen ik ervoor zorgde dat hij wegging, terug naar waar hij vandaan kwam. Dami was degene die mij had gemaakt tot wie ik was. Hij had een zielig hoopje mens van de rand van de afgrond gered, mij alles geleerd wat hij wist over het leven en de dood en alles er omheen en ik had hem laten vallen als een baksteen. Mijn ego werd te groot, ik dacht niet meer na over wat ik deed en met wie ik het deed. Het aantal onopgeloste moordzaken in de regio was in de jaren dat ik actief was verdubbeld. Ik werd onvoorzichtig en ondoordacht toen hij weg was, dronk tot mensen leeg waren en liet ze zo achter in plaats van de lichamen af te voeren, te begraven of te verbranden. Hij had me gewaarschuwd, mij gezegd dat we in beweging moesten blijven om mensen niet wantrouwend te maken over ons. Want ik werd wel ouder, maar verouderde niet. Ik werd boos op hem, zei hem dat ik Rotterdam nooit zou verlaten, ook al werd het mijn dood. Mijn liefde voor de stad was groter dan voor hem, zei ik hem. Dat was het einde van ons.

Sindsdien ben ik elke avond gaan lopen. Van Kralingen naar de stad en weer terug,  hopend dat ik iemand zou tegenkomen die vrijwillig mee zou willen gaan. En dat was in het nachtleven niet moeilijk, maar het plezier dat ik er ooit in had was er niet meer. Mensen waren allemaal hetzelfde geworden, iedereen rook hetzelfde, kleedde zich hetzelfde en gedroeg zich hetzelfde. Mensen waren kuddedieren. Schaapjesvolk. En ik was de wolf in schaapskleren die het zo makkelijk had dat het ging vervelen.

Zou Dami dan toch gelijk hebben gehad? De straten kenden geen geheimen meer voor mij, elke steen had inmiddels een eigen verhaal. Kon het echt zo zijn dat we op elkaar uitgekeken waren? Dat we elkaar niets meer te bieden hadden? Ik kon de eerst zo betoverende chemie van de stad niet meer zien of voelen.  Was het vastklampen van mij aan de laatste strohalm van de liefde van Rotterdam dan alleen maar nostalgie?

Ik liep naar de Lijnbaan. Maar in plaats van dat ik naar rechts richting het Stadhuisplein ging, liep ik de andere kant op naar de Witte de With. Ik was er al jaren niet geweest, mijn routine was vastgeroest en kon ik moeilijk loslaten, maar de gedachte aan Dami maakte me gevoelig en twijfelachtig over mijn stad. Een jongeman met helderblauwe ogen,  lang haar in een staart en een baard liep langs. Hij zag er anders uit. Ik bleef staan, snoof zijn geur diep in. Hij rook anders. Ik draaide me glimlachend om. Een nieuwe jacht was begonnen.

 

 

 

________________________________

 

 

 

(Dit verhaal is eerder verschenen op Sweek voor Rotterdam Schrijft)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *