De vrouw met de sluier

zonsondergangElke dag liep ze dezelfde route. Haar hele lichaam bedekt door haar zwarte kleding, op haar hoofd een grote zwarte hoed en een zwarte sluier voor haar gezicht. Ze sjokte vooruit met haar boodschappenkarretje, haar blik op oneindig. Iedereen was bang voor haar, ging haar uit de weg als ze langsliep.

Er vormden zich vele mythische verhalen om de gekke vrouw in het zwart heen. Ze zou een heks zijn, een weduwe die haar man had vermoord of een kinderlokker. Niemand wist het precies. Niemand had ooit met haar gepraat of wist iets over haar. Maar volgens alle kinderen in de buurt zou ze in elk geval een gevaarlijke gek zijn en moest je bij haar uit de buurt blijven. Als ze door onze straat liep naar de supermarkt twee straten verder, renden we allemaal snel naar binnen.

Op een dag deden we een rolschaatswedstrijd door de buurt. Ik won nooit. Waarschijnlijk had ik me erbij neergelegd dat ik nooit de meest sportieve van de buurt zou zijn omdat ik liever een boek las dan dat ik mijn rolschaatsen aan had. Maar die dag besloot ik dat ik ervoor zou gaan, de elfjarige boekenwurm zou haar buurtgenootjes eens even een poepie laten ruiken. Vol goede moed had ik mijn rode rolschaatsen aangetrokken en reed oefenrondjes door de hobbelige straat. Toen het ‘3-2-1-GO’ klonk was ik als eerste weg, racete ik de eerste hoek om, botste bíjna tegen iemand op en maakte een schuiver over de grond. Daar lag ik dan, met mijn geschaafde knieën en mijn eer die misschien nog wel harder dan ik op de stoeptegels was gevallen. Door mijn tranen heen zag ik de rest schreeuwend voorbij suizen. Ik voelde een hand op mijn schouder en keek op, recht in het gezicht van de gekke vrouw in het zwart. Eventjes schrok ik, maar toen zag ik door de sluier haar vriendelijke gezicht. Ik pakte haar hand aan en liet haar me overeind helpen. Ze zei niks, glimlachte even naar me en sjokte toen verder. De anderen stonden op een afstandje met open mond naar mij te kijken.

Ik vroeg mijn moeder een keer wie die vrouw eigenlijk was en waarom ze er altijd zo bij liep. Volgens haar had de vrouw een ziekte waardoor ze nooit in het zonlicht mocht komen. Toen ik haar vroeg hoe ze dit wist kon ze er niet echt antwoord op geven, ze had het van mijn tante die haar weleens zag. De volwassenen hadden dus hun eigen verhalen, die iets anders waren dan bij de kinderen, maar haar evengoed voor gek verklaarden.

Ik zie haar nog weleens in mijn oude buurt lopen en dan bedenk ik me dat deze vrouw niets slechts kan zijn. Vanaf het moment dat ze me aankeek en omhoog hielp realiseerde ik me: zíj is niet gek, wíj zijn gek. Ze is  slechts een vrouw getekend door het leven en je ziet het als je door de sluier heen durft te kijken.

 

 

 

 

 

 

In februari schreef ik een kort verhaal voor de NPO verhalenwedstrijd Te gek voor woorden, waarbij dit verhaal in de top 50 van 2000 kwam.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *